Het Nederlands is niks veranderd

 Het is een van de hardnekkige mythen over onze taal: het Nederlands verandert sneller dan andere talen. Deze gedachte duikt in allerlei varianten op. Gisteren beweerde Arnold Heumakers in de NRC: “Het Nederlands is sinds de 19e eeuw veel meer veranderd dan het Frans, Engels of Duits, het doet nu raar en vreemd aan.” Let op de onderbouwing: het Nederlands uit de 19e eeuw “doet raar en vreemd aan.” Dus niet alleen raar, maar ook nog eens vreemd. Deze redenering ademt maar één woord: gezichtsbedrog.

Lees verder…

Wie leest zichzelf taalkundige?

Vaak hoort de taalprof in de taalwereld de mooiste taaluitingen zomaar in het wild voorbijkomen. De ingewikkeldste constructies duiken op in de meest onverwachte contexten. Zo hoort hij nu al de hele week af en toe een reclameslogan langskomen voor een talentenjacht op de commerciële televisie. Die luidt: Wie zingt zichzelf miljonair. Wat is daar bijzonder aan?

Lees verder…

Je kunt het niet vaak genoeg zeggen

 Minister van Onderwijs Van Bijsterveldt twitterde zojuist: hoogbegaafden zijn van grote waarde voor onze samenleving. Een waar woord. Daar zal niet iedereen het meteen mee oneens zijn. Vooral niet de mensen die zich afvragen wat hoogbegaafdheid precies is en hoe het bepaald wordt.

Lees verder

Waar was de taalprof?

Zoals in het vorige bericht al aangekondigd, begint de Taalprof langzaam te ontwaken uit zijn door de weblogprovider afgedwongen winterslaap. Het jaar is goed en wel van start gegaan, de sneeuwklokjes bloeien, en de taalprof maakt zich op voor zijn zevende blogjaar, waarbij hij het zesde maar liefst zo snel mogelijk vergeet.
Lees verder…

Taalprof wordt langzaam wakker

Het houdt nog steeds niet over op het gemigreerde weblog van de taalprof, al begint er wel beweging in te komen. De berichten zijn inmiddels allemaal gemigreerd door weblog.nl, en ook de trefwoorden zijn eindelijk hersteld. We mogen hopen dat ook de interne links allemaal werken, en zo te zien zijn de plaatjes (de breintjes) ook weer teruggevonden. En ten slotte is de hinderlijke en opzichtige reclame ook eindelijk verdwenen.

Wat is er dan nog niet in orde?
Lees verder…

Taalprofs noodblog

Om tegemoet te komen aan de vele verzoeken van radeloze grammaticaal gedepriveerden, heeft de taalprof op taalprof.edublogs.org zijn eigen backup geplaatst. Hier staan alle artikelen van de afgelopen vijf jaar, inclusief discussie. Het ziet er niet heel spectaculair uit, en er zijn functies die niet werken (navigatie vanuit zijbalken, lees meer), maar het gaat per slot van rekening om de inhoud, nietwaar?

Lees verder…

Taal van IT ontleed

De twitteraars van Onze Taal gaven gisteren een linkje naar een column over de taal van de IT. Altijd interessant, dus toch even lezen. Wat een messcherpe analyse! Het gaat hier blijkbaar om een columnist die vijftig jaar onder een steen heeft geleefd en nu ineens in het volle licht treedt om zijn (haar?) inzichten wereldkundig te maken.

Lees verder…

Wel of geen zin

Gisteren werd de taalprof attent gemaakt op een discussie op de discussielijst voor docenten Nederlands in de vakcommunity Nederlands van de digitale school. Die had hij al een tijdje niet bijgehouden omdat hij door andere aangelegenheden van epische proporties in beslag werd genomen, maar het was toch weer hartverwarmend om te zien dat elke grammaticale oprisping op deze discussielijst meteen een lawine aan enthousiaste reacties oplevert. Blijkbaar hebben de docenten Nederlands tenminste nog hart voor de grammatica.

De vraag was "Een volledige zin, wat is dat?" Een mooie, abstracte kwestie. Er was natuurlijk ook wel een enkeling die het hele nut van de vraag in twijfel trok, net zoals in vroeger tijden filosofische bespiegelingen vaak weggehoond werden met de norse opmerking dat die ons zielenheil niet bevorderden, maar gelukkig zijn er ook heden ten dage nog onafhankelijke denkers die de grenzen van het menselijke redeneervermogen wensen op te zoeken zonder dat dat meteen tot ethische of economische voorspoed moet leiden.

Lees meer/ minder/ printversie

In de reacties tekenen zich twee kampen af: voor een volledige zin is ten minste een onderwerp en een gezegde nodig, of een persoonsvorm is al voldoende. Er zijn ook docenten die erop wijzen dat een enkel woord in een gesprek al een volledige en zelfstandige betekenis kan hebben, maar de meeste reageerders interpreteren de vraag toch als een vraag naar de definitie van de traditionele term "volzin."

Interessant is dat vertegenwoordigers van het eerste standpunt (onderwerp en gezegde) erop wijzen dat de bekende grondlegger van de moderne taalkunde Noam Chomsky dit beweerd zou hebben. Inderdaad propageerde Chomsky in de jaren zeventig een grammaticaal systeem waarin een zin (S) werd gedefinieerd als een combinatie van subject (NP) en predicaat (VP), maar daar kwamen al snel allerlei elementen bij, zoals een voegwoordpositie (COMP), die kon worden ingevuld met een voegwoord, zodat je een bijzin kreeg, of (onder andere) de persoonsvorm, hetgeen de hoofdzin opleverde. Aan het begin van de jaren tachtig werd die definitie uitgebreid met de abstracte inflectiekenmerken van de zin (aanvankelijk INFL, later I), waardoor de zin NP INFL VP werd, en toen het hek eenmaal van de dam was kwamen daar de tijdskenmerken van de zin bij (T, volgens sommigen T1 en T2), de congruentie van onderwerp met persoonsvorm (AGR-S) en de congruentie van voorwerp met persoonsvorm (AGR-O). En nou stel ik het nog simpel voor. Uiteindelijk werd het standpunt zo'n beetje dat de zin datgene was wat door de invulling van die abstracte kenmerken aan woordvormen werd afgedwongen.

Nou moet ik eerlijk zeggen dat ik denk dat Chomsky en zijn Chomskyanen de hele vraag naar de definitie van de term "volzin" een buitengewoon oninteressante kwestie zouden hebben gevonden. Die vraag behoorde immers tot de verfoeilijke "taxonomische" en "classificationele" praktijken van de "oude grammatica." Weliswaar ging het in de Chomskyaanse taalkunde aanvankelijk veel over "welgevormdheid" en "grammaticaliteit," maar dat moest je toch vooral niet in normatieve zin opvatten.

Maar goed, als je dan toch de Chomskyaanse inzichten met de traditionele grammatica zou willen verenigen, dan zou je denk ik moeten zeggen dat voor Chomsky de tijdskenmerken en congruentiekenmerken essentieel zijn voor de zin. En aangezien deze kenmerken resideren op het werkwoord, heb je als lexicaal element ten minste een werkwoord nodig om een volledige  zin te maken. Voor die congruentiekenmerken heb je wel een onderwerp nodig, maar in hoeverre dat ook een uitgesproken onderwerp moet zijn, dat lijkt me minder duidelijk. Er zijn trouwens genoeg talen waarin het onderwerp in veel gevallen in het werkwoord opgenomen is.

Vanuit een Chomskyaanse opvatting zou je dus tot de conclusie komen dat de persoonsvorm alleen al een volledige zin kan zijn. Maar het is natuurlijk best mogelijk om de term "volzin" te definixebren zonder naar Chomsky te luisteren. En als je dan zou willen zeggen dat een volzin per se een verbinding van onderwerp en gezegde zou moeten zijn is dat een legitieme opvatting.

Toch zou je ook die opvatting waarschijnlijk onmiddellijk willen relativeren: uitingen als 'Wij blij' of 'Ik lachen natuurlijk' bevatten wel degelijk een onderwerp en een gezegde, maar die zou je vermoedelijk toch niet onder de definitie van de volzin willen rekenen. Ik denk dat de meeste mensen daaraan zouden willen toevoegen dat dat gezegde dan ten minste een persoonsvorm zou moeten bevatten.

Vervolgens is de vraag: wat doe je met de gebiedende wijs? Er zijn twee problemen. Het eerste is: is de gebiedende wijs wel een persoonsvorm? Het tweede: de gebiedende wijs bevat geen onderwerp. Het eerste probleem is ingegeven door het feit dat je van de gebiedende wijs geen verleden tijd kunt maken, en dat je persoon en getal niet kunt veranderen. Toch zijn er zinnen als 'Had dat dan gezegd!' die zeker gebiedende wijs zijn, en de vorm 'had' is duidelijk verleden tijd. En ook ouderwetse vormen als 'Komt allen!' zou je gebiedende wijs moeten noemen, en dat is toch echt meervoud. Dus je zou heel goed kunnen volhouden dat de gebiedende wijs een persoonsvorm is.

Dat de gebiedende wijs geen onderwerp bevat lijkt evident. Toch zijn er verschillende argumenten om ook dat te bestrijden. Het beste argument is om te wijzen op uitingen als 'Help elkaar' of 'Zoek jezelf,' waarin de gebiedende wijs gecombineerd wordt met voorwerpen in de vorm van een wederkerig of wederkerend voornaamwoord. Het argument is dat deze voornaamwoorden in andere zinnen noodzakelijk een antecedent moeten hebben, en wel binnen dezelfde deelzin. Zinnen als 'Wij denken dat hij elkaar helpt' en 'Hij zei dat ik zichzelf moest zoeken' zijn al fout, omdat het antecedent van de voornaamwoorden te ver weg staat. Maar als deze voornaamwoorden per se een antecedent in dezelfde deelzin moeten hebben, waar is dat dan gebleven in 'Help elkaar' en 'Zoek jezelf'? Dat kan alleen maar in de persoonsvorm van de gebiedende wijs zitten.

De gedachte dat het onderwerp in de gebiedende wijs opgesloten zit wordt al uitgesproken door de docenten op de discussielijst. Die gedachte sluit ook aan bij de gangbare opvattingen over de vervoegingskenmerken van het werkwoord zelf. Die zouden namelijk rudimentaire overblijfselen zijn van onderwerpen die in de vorm van voornaamwoorden aan het werkwoord vastgeplakt werden. Vandaar dat in sommige talen (zoals het Latijn, of het Turks) de persoonsvorm (met die gexefncorporeerde onderwerpen) in zijn eentje een volledige zin kan vormen.

Aan de andere kant zou je kunnen aanvoeren dat in de gebiedende wijs het onderwerp niet is opgenomen, maar juist is weggelaten. Want je kunt het er ook weer bij zetten. Van een zin als 'Kom hier' kun je ook maken 'Kom jij eens hier.' Dat zou je nog steeds gebiedende wijs kunnen noemen, maar er staat wel een onderwerp bij. Maar als het onderwerp is weggelaten, is er dan geen sprake van een elliptische zin? Een voorstelbare gedachte, al zou je daarmee wel zinnen als 'Klopt!' (voor 'Dat klopt!') op xe9xe9n hoop vegen met de gebiedende wijs, en dat heeft ook weer iets tegenintuxeftiefs.

Zo eindigt de discussie in onzekerheid, omdat voor elk standpunt wel iets te zeggen is. De winst is echter dat het nadenken hierover ons diepere inzichten heeft opgeleverd in de elementen die essentieel zijn voor de opbouw van de zin. Dat mag ons niet veel verder brengen in de definitie van een term als "volzin," zinvol is het wel.

Lees minder

Al hoe je het ook bekijkt

"Interessant stukje eergisteren, taalprof, maar die eerste zin…"
"Wat was daarmee?"
"Daar schrijf je de bijzin …al hoe grote stofwolken daar ook vandaan komen. Staat daar geen al te veel?"
"Hmm, nou je het zegt. De zin klinkt me op het eerste gehoor prima in de oren, maar dat al staat daar wel vreemd."
"Ik ken dat gebruik niet, dat al hoe achter elkaar."
"Het moet het versterkende bijwoord al zijn, dat ook de oorsprong vormt van het voegwoord alhoewel."
"Ik zou het gewoon vermijden, door iets te schrijven als …welke grote stofwolken daar ook vandaan komen."
"Ja, dat kan wel, je zou ook het woordje al gewoon weg kunnen laten, maar ik zit nu al in de academische modus, waarin ik mij afvraag hoe het in elkaar zit en of het werkelijk tot de taal behoort."
"Nou ja, pieker er niet te lang over zou ik zeggen."
"Ja wacht even, ik google toch even… Hmmm, het komt extreem weinig voor, heb ik de indruk. Maar wacht eens, je hebt toch ook Al wat ik ook doe, dat kan toch ook?"
"Dat kan wel, maar is dat dan niet kortweg voor alles wat?"
"Dat geloof ik niet. Je hebt Al wat ik doe is tevergeefs, waar de klemtoon op Al valt, en al wat ik ook doe, het is toch allemaal tevergeefs, waar de klemtoon op wat valt. En in die tweede zin kun je Al niet vervangen door alles."
"Nee dat is waar."
"En heb je ook niet Al wie ik het ook vraag, niemand weet dit? Daar kun je al helemaal niet uitgaan van alles wie."
"Maar daar heb je wel diezelfde twee varianten: Al wie het weet mag het zeggen tegenover Al wie het ook weet, het is toch te laat."
"Daar heb jij weer gelijk in. Toch vreemd dat het allemaal zo weinig voorkomt. Als ik zou willen argumenteren dat het niet tot de taal behoort zou ik dat wel opmerken. Een handjevol vindplaatsen in zo'n groot corpus is eigenlijk niks."
"Is het geen contaminatie?"
"Ja, dat zou kunnen. Maar het gekke is dat het dan gecontamineerd is uit Wat je ook doet en Al doe je ook dat, wat twee zinnen zijn met een compleet andere zinsvolgorde. Maar wacht eens, ik zoek het even op in de geschiedenis van de Nederlandse syntaxis van Van der Horst."
"…"
"Kijk, hier staat het: Van der Horst spreekt over het voegwoord alhoe, dat vxf3xf3r de zestiende eeuw is ontstaan uit het toevoegen van het versterkende bijwoord al aan het voegwoord hoe, uiteindelijk leidend tot alhoewel."
"Je taalgevoel is dus eigenlijk middelnederlands."
"Ja, blijkbaar klinkt er in het taalgevoel van de taalprof nog een echo uit het verleden, uit de tijd dat je het versterkende bijwoord al bij een toegevende bijzin kon zetten. Want zo'n zin als Al hoe je het ook bekijkt bevat een duidelijke toegeving:  je kunt het op verschillende manieren bekijken, maar op welke manieren je het ook doet, en dan volgt de rest van de zin."
"Toch is het mij totaal vreemd. En ik heb het net aan een collega voorgelegd, die net als ik Vlaming is, en die kent het ook niet. Zou het een Nederlands-Vlaams verschil zijn?"
"Zou kunnen, maar het lijkt mij onwaarschijnlijk. Ik vrees eerder dat het sterk regionaal is. Het komt gewoon te weinig voor. Weet je wat? Ik schrijf er een logje over en kijk eens of de lezers reageren. Misschien dat er iemand over de goed-foutkwestie heen kan stappen en bedenken of deze gebruikswijze een basis in de realiteit heeft."

Eeuwige kwesties (6): Dodelijke opmerkingen over dodelijke slachtoffers

Dodelijke slachtoffers, dat is ook zo'n hardnekkige taalergernis waar mensen steeds maar weer op terugkomen. Genuanceerde taaladviezen lijken niet zo veel te helpen, waarschijnlijk omdat ze het karakter van een uitvlucht hebben: het zou metonymisch taalgebruik betreffen, waarbij de relatie tussen de slachtoffers en de dood zo'n beetje is uitgedrukt. Ja dat zal best wel, maar erg overtuigend komt het niet over, misschien is dat het probleem.

Wat is er mis met dodelijke slachtoffers? Wel, de critici merken op dat dodelijk iets betekent als "de dood veroorzakend" (dodelijk vergif, dodelijk werk, ook in figuurlijke zin dodelijke opmerkingen). En in dodelijke slachtoffers zijn de slachtoffers zelf toch niet de veroorzakers van de dood?

Lees meer/ minder/ printversie

De taaladviseurs houden het erop dat hier sprake is van een soort overdracht van de betekenis van dodelijk vanuit de gebeurtenis (bijvoorbeeld een dodelijk ongeluk) op de omgeving, in dit geval de betrokkenen. Voorbeeld: een luie stoel, waarbij de stoel zelf niet lui is, maar bestemd voor luie personen (of personen in een luie gemoedsgesteldheid om het precies te zeggen).

Het is natuurlijk heel goed mogelijk dat zo'n algemeen procxc3xa9dxc3xa9 in de taal ook hier van toepassing is. Toch kwam ik vandaag een voorbeeld tegen dat mij aan deze algemene uitleg deed twijfelen. Misschien zit het in dit geval toch anders in elkaar.

Ik zocht in het Woordenboek der Nederlandsche Taal naar vroege voorbeelden van deze specifieke gebruikswijze van dodelijk, en de analyse van de lexicografen uit 1912 is interessant. Zij nemen als derde betekenis van het bijvoeglijk naamwoord doodelijk het volgende lemma op:

3.  In een gebruik dat op dat van het bijw. berust. Zoo hevig dat men er van zou sterven, zeer hevig.

  • Eene doodelijke stilte, eene stilte als des doods. eene volkomen stilte.
  • Doodelijk op zichzelf, in den zin van: al te stil.
  • Eene doodelijke bleekheid, eene bleekheid als van een doode.
  • Doodelijke kranken in den zin van: doodelijk kranken.

Nou gaat het mij niet zozeer om die betekenisomschrijving, maar om het laatste voorbeeld: dodelijke zieken, in de zin van dodelijk zieken. Is dat niet wat er aan de hand is bij dodelijke slachtoffers? 

Het WNT gaat dus uit van "een gebruik dat op dat van het bijwoord berust." Wat staat er dan als betekenisomschrijving van het bijwoordelijke doodelijk? Daar staat:

Zxc3xb3xc3xb3 dat de dood er het gevolg van is of dreigt te zijn.

Hee, dat is precies wat er aan de hand is bij dodelijke slachtoffers! Die zijn zodanig slachtoffer dat de dood er het gevolg van is.

Wat betekent dit? Dat betekent dat in dodelijke slachtoffers het woord slachtoffer veel meer een "predicatieve" betekenis heeft. Het verwijst niet zozeer naar personen, maar naar de eigenschappen die die personen hebben (net als bij zieken). Het wordt dus een beetje als bijvoeglijk naamwoord gebruikt. Het is natuurlijk geen bijvoeglijk naamwoord, vandaar dat je niet zoals bij dodelijk zieken de mogelijkheid hebt om echt het bijwoord te gebruiken (omdat je dan van dodelijk-ziek in feite het zelfstandig naamwoord maakt). Daarom is het dus per se dodelijke slachtoffers en niet dodelijk slachtoffers. Maar het is ineens duidelijk hoe het in elkaar zit.

Het WNT geeft al een voorbeeld van die doodelijke kranken uit 1698 (Doodelijke kranken, van welker gesteltenis de Doctooren behoorlyke verklaaring moeten geven), dus het is bepaald geen recente ontwikkeling.

Er is dus niets mis met dodelijke slachtoffers. Het zijn personen van wie het slachtofferschap zodanig is dat het de dood tot gevolg heeft, of heeft gehad (of kan hebben, als ik mij niet vergis). En daarmee schaart het gebruik zich toch weer bij het normale gebruik van "de dood veroorzakend." Want net zoals ziekte wel of niet de dood tot gevolg kan hebben, kan het slachtofferschap ook wel of niet tot de dood leiden. En als de waarschijnlijkheid daarvan groot genoeg is (of zelfs een zekerheid is), dan ben je dus een dodelijk slachtoffer.

Lees minder

Update: Ik denk altijd nog even na als ik een stukje gepubliceerd heb. En daarbij viel me deze keer de missing link in tussen dodelijk zieken en dodelijke slachtoffers. Het is de vorm dodelijk verongelukten. Want dodelijk verongelukten, dat is de genominaliseerde vorm (de tot zelfstandig naamwoord gemaakte vorm) van het bijvoeglijke dodelijk verongelukt, waarin dodelijk het bijwoord is bij het bijvoeglijk naamwoord verongelukt. En verongelukt is het als bijvoeglijk naamwoord gebruikte voltooid deelwoord van het werkwoord verongelukken. En als je dodelijk verongelukt, dan wil dat zeggen dat dit verongelukken de dood veroorzaakt heeft of veroorzaken kan. En zo zijn we weer bij de normale betekenis van dodelijk: de dood veroorzakend (of kunnende veroorzaken).